In België hebben we een wetgevend kader voor het bevorderen van gelijkheid en diversiteit en het bestrijden van discriminatie.
Discriminatie kan verschillende vormen aannemen. Er is sprake van directe discriminatie bij de ongelijke behandeling van personen in dezelfde situatie zonder dat daar een juridisch aanvaardbare reden voor is. Bij indirecte discriminatie gaat het om een schijnbaar neutrale maatregel die discriminerende gevolgen heeft, of het aanzetten tot discriminatie, intimidatie en seksuele intimidatie, of de weigering om redelijke aanpassingen te doen voor personen met een handicap.
Sinds de wet van 12 januari 2007 is gender mainstreaming een wettelijke verplichting voor de federale overheid. Dat betekent dat bij alle beleidsmaatregelen, van begrotingen tot wetgeving, moet worden nagegaan welke impact ze hebben op vrouwen en mannen.
De wet legt concrete verplichtingen op aan ministers en federale administraties, waaronder het uitvoeren van gendertests, het verzamelen van gendergesplitste gegevens en het integreren van de genderdimensie in beleidsplannen en begrotingen. Zo moet gendergelijkheid niet enkel een doelstelling zijn, maar een structureel onderdeel van het beleid.
Enkele belangrijke verwezenlijkingen van de afgelopen decennia:
We schetsen in dit dossier de evolutie van de Belgische gelijkheids- en non-discriminatie man-vrouw wetgeving en de evolutie van het basiscriterium geslacht naar de gelijkstelling van gender met andere beschermde criteria, vervat in de zogenaamde genderwet.