In het systeem van onze sociale zekerheid zitten een aantal onrechtvaardigheden. Die hebben deels te maken met de manier waarop onze sociale zekerheid historisch is ontstaan. De sociale zekerheid gaat in België terug tot de periode vlak na de Tweede Wereldoorlog.
Dankzij de sociale zekerheid heb je recht op een uitkering als je ziek, invalide of werkloos bent, en recht op een pensioen aan het einde van je loopbaan. Dit model is gebaseerd op één partner die buitenshuis gaat werken, namelijk de man.
Dit zogenaamde kostwinnersmodel was de norm tot in de jaren 1970. Pas op het einde van de 20ste eeuw hield men ook rekening met tweeverdienersgezinnen en eenoudergezinnen.
Uit de tijd van het kostwinnersmodel stamt het systeem van de afgeleide rechten. Toen had de werkende man vaak niet alleen zijn kind(eren) fiscaal ten laste, maar ook zijn echtgenote. Als je als vrouw zelf niet werkte, bouwde je dus geen eigen rechten op, maar kreeg je afgeleide rechten via je werkende partner. Deze rechten worden toegekend aan iemand die financieel afhankelijk is of was van een werkende partner. En dit leeft nog voort.
Een voorbeeld daarvan is het overlevingspensioen van een weduwe. Soms krijgen werknemers die personen ten laste hebben hogere uitkeringen. Maar het systeem is niet altijd rechtlijnig of rechtvaardig. Het zijn vooral vrouwen die onvoldoende eigen sociale rechten hebben opgebouwd en daardoor afhankelijk zijn van afgeleide rechten.
Als je werkt en moederschapsrust, geboorteverlof of tijdskrediet opneemt, worden deze periodes waarin je het werk onderbreekt omgezet in gelijkgestelde periodes. Je blijft dus sociale rechten opbouwen en krijgt ondertussen een vervangingsuitkering of premies.
Maar de besparingsmaatregelen van de huidige regering zullen sommige van deze gelijkgestelde periodes minder zwaar of niet langer meetellen.
Vrouwen voelen de gevolgen daarvan het meest.
De Vrouwenraad wil alle onrechtvaardigheden uit het systeem wegwerken en afgeleide rechten geleidelijk vervangen door individuele rechten. Iedereen moet zoveel mogelijk eigen sociale rechten kunnen opbouwen, bij voorkeur in een systeem van een 30-urenweek mét behoud van loon.
Daardoor zal er minder nood zijn aan verlofstelsels die zorgen voor loonverlies, of aan deeltijds werk dat onrechtvaardigheden bevat ten opzichte van voltijds werk. Enkel zo vallen werk, gezin, vrije tijd en sociaal engagement makkelijker te combineren.